Het meten van bezoekersbeleving: de tentoonstellingsmaker van de 21ste eeuw

Tentoonstellingen zijn in de 21e eeuw steeds vaker een totaalbeleving. Dat maakt het lastiger om te meten wat je bij de bezoeker teweegbrengt. De HvA ontwikkelde daarom een nieuwe meetmethode voor makers van de 21e eeuw.

Tentoonstellingen zijn steeds meer gemaakt als beleving; de ruimte, de objecten en digitale media moeten ervoor zorgen dat bezoekers zich helemaal ondergedompeld voelen in het verhaal. Het onderzoeken van die ervaring wordt daarmee steeds complexer. Hoe weet je nu of de concepten die je hebt bedacht ook werken? Welke elementen dragen bij aan de beleving en wat zou je moeten veranderen?

Om dat te onderzoeken en om een methode te ontwikkelen die ook door andere onderzoekers kan worden toegepast, heeft de Hogeschool van Amsterdam (HvA) samen met een aantal musea het project De Tentoonstellingsmaker van de 21ste eeuw uitgevoerd. In dit project werd onderzocht of sturing op narrativiteit, sfeer, digitale media en participatie invloed heeft op de mate waarin bezoekers geraakt worden, geïnspireerd raken en iets hebben geleerd.

Beleving, waar hebben we het over?

Om beleving te kunnen meten, moet je eerst weten over wat voor soort beleving je het hebt. In het onderzoek is uitgegaan van drie vormen: leren, inspireren en geraakt worden. Vervolgens zijn er vier aspecten gedefinieerd waarop het onderzoek zich geconcentreerd heeft: 

  • Participatie: alles wat te maken heeft met het stimuleren van de bezoeker om actief deel te nemen aan de tentoonstelling.
  • Narrativiteit: alles wat te maken heeft met vertellen van een duidelijk verhaal.
  • Digitale media: alles wat te maken heeft met de manier waarop de bezoekers digitale middelen gebruiken als onderdeel van de tentoonstelling.
  • Sfeer van de ruimte: alles wat te maken heeft met het uiterlijk en de indruk van de tentoonstelling op de bezoeker

Uit het onderzoek werd duidelijk dat bezoekers die vaker naar musea gaan een actievere houding hebben wanneer ze de voorstelling bezoeken. Ook bezoekers die al voorkennis hebben over het onderwerp of bezoekers die bewust komen om iets te leren, zijn actiever tijdens hun bezoek. In de eindpublicatie schrijven Bernadette Schrandt, Harry van Vliet, Guusje Hallema en Annika Kuyper hierover:

Het in kaart brengen van de bezoekersbeleving is zo simpel nog niet. We kijken vooral naar de plek waar de bezoeker en het museum elkaar ontmoeten – in de tentoonstelling – maar zowel de bezoeker als het museum hebben voorafgaand aan die ontmoeting al allerlei ideeën, verwachtingen en doelstellingen over die ontmoeting. De bezoeker heeft van alles meegemaakt voordat hij of zij in de tentoonstelling terechtkwam en heeft bepaalde denkbeelden, voorkeuren en emoties waar rekening mee gehouden dient te worden. Aan de andere kant heeft het museum allerlei keuzes gemaakt om de inhoud van de tentoonstelling in de ruimte die men ervoor beschikbaar heeft gesteld het beste tot z’n recht te laten komen, met alle randvoorwaarden van dien.

De ene vorm van participatie is de andere niet

In het onderzoek van de HvA is een brede opvatting van participatie gehanteerd: elke vorm van interactie kan opgevat worden als participatie. Maar je kunt ook op andere manieren naar participatie kijken, bleek tijdens het symposium De Tentoonstellingsmaker van de 21ste Eeuw  in februari 2019. In één van de sessies op het symposium stelde Merel van der Vaart, oprichter van Muse, mensen & musea en conservator bij het Stedelijk Museum Schiedam: “De relatie tussen bezoeker en museum moet gelijkwaardig zijn, waarbij het museum ook daadwerkelijk reageert op de interactie.”

Dit roept wel wat discussie op, want bezoekers kunnen ook het gevoel hebben dat ze participeren, zonder dat het museum daar iets mee moet. In hoeverre is dat verschil tussen interactie en participatie dan nog te maken? Voor de ervaring van de bezoeker is het niet altijd noodzakelijk dat het museum een directe terugkoppeling geeft of dat een tentoonstelling ook echt verandert. Uit een enquête onder bezoekers van Beeld en Geluid blijkt bijvoorbeeld dat maar 32% van de bezoekers ook echt behoefte heeft aan een terugkoppeling van het museum. Ook bleek dat de meeste bezoekers niet zitten te wachten op interactie met andere bezoekers.

Slechts 9% van de bezoekers wil interactie met andere bezoekers. Slide uit de presentatie van Bernadette Schrandt en Harry van Vliet, februari 2019

32% van de bezoekers wil een terugkoppeling van het museum op gegeven feedback. Slide uit de presentatie van Bernadette Schrandt en Harry van Vliet, februari 2019

Cureren of regisseren?

Uit het onderzoek kwam naar voren dat tentoonstellingsmakers steeds meer moeten werken als een soort regisseur, waarbij je vooral randvoorwaarden schept voor de ervaring van de bezoeker, in plaats van het aanbieden van een kant-en-klaar product. Daarbij vervagen de grenzen tussen digitaal en fysiek en ontstaat er een totaalervaring. Dat sluit goed aan bij de ambitie van de Nationale Kennisagenda voor het Museale Veld: “De tweede ambitie is de belevingswaarde voor de bezoeker te vergroten en daarmee de impact van het museum te versterken.”

Tijdens het project zijn verschillende hulpmiddelen ontwikkeld om deze impact op je bezoekers te meten. Deze hulpmiddelen en enkele case studies zijn te vinden in de publicatie De Tentoonstellingsmaker van de 21ste Eeuw. Ontwerpen voor beleving en in de toolkit De Tentoonstellingsmaker van de 21ste Eeuw: Evalueren van ontwerpbeslissingen, die in 2020 ook in digitale versie verschijnt.

Thema's
Deel dit artikel