Voorbij het TIN-vormige gat: the need for legacy

Fransien van der Putt schreef vanuit haar perspectief en kennis een impressie n.a.v. DEN's eerste ronde tafel over digitalisering en archivering binnen de podiumkunsten.

Nadat DEN in oktober 2018 via sociale media een oproep deed om ideeën te opperen over hoe digitalisering de (podium-) kunstenpraktijk in Nederland kan versterken, ontstond enige beroering. De oproep wekte de indruk dat bestaande digitale tradities en initiatieven binnen het Nederlandse kunstenveld over het hoofd worden gezien – alsof Natlab, Steim, NIMK, V2, Mediamatic, LIMA of het werk van Dick Raaijmakers, Peter Struycken, JODI, Martine Neddam, Geert Mul, Karen Lancel, Constant Dullaart of Marnix de Nijs nooit hebben bestaan.

Nederland deed mee in de voorhoede van ontwikkelingen in elektronica, digitalisering, internet en alternatief mediagebruik, wat ook in de kunsten terug te zien is, o. a. in een lange traditie op het gebied van synthetische muziek, nieuwe mediakunst en webart, game cultuur en ook in ontwikkelingen in de dans.

In gesprek met DEN suggereerde ik een aantal specialisten op het gebied van archivering en presentatie van erfgoed in de podium-, performance - en digitale kunst uit te nodigen, om reeds bestaande expertise op dit gebied in Nederland bijeen te brengen om vooruit te kijken en in gezamenlijkheid de vraag te stellen wat er gedaan kan worden aan de leemte die ontstaan is, door de sluiting van de sectorinstituten voor muziek, theater en nieuwe media. 

Deze qua materialiteit variabele vormen van kunst werden hard getroffen door de radicale bezuinigen van Zijlstra in 2012. Er werd een streep gehaald door een stelsel van kleinschalige, hoogwaardige productie. Niet alleen de praktijken van een diversiteit aan kleinere, wendbare, experimentele ensembles en instellingen, maar ook allerlei collecties raakten op drift. In één klap werden zo niet alleen de zichtbaarheid, toegankelijkheid en bemiddeling van nieuwe ontwikkelingen, maar ook het erfgoed in media- theater-, muziek- en danskunst op achterstand gezet.

De Nederlandse overheid blijft wankelmoedig aangaande een structurele reparatie van de leemte die in het beheer van de diverse ontheemde, onder- of onbemande collecties, die tot dan toe in de verschillende sectorinstituten waren ondergebracht, is ontstaan. Er zal nog veel meer geld bij moeten wil men de collecties en archieven op een representatieve manier verder uitbouwen en op een aantrekkelijke en relevante manier ontsluiten voor nieuwe generaties publiek en professionals. Tegelijkertijd biedt de leemte, of het gat, dat door de kaalslag van Zijlstra is ontstaan ook de mogelijkheid om nut en noodzaak, vorm en inhoud, doeleinden en institutionele strategieën rond vluchtig erfgoed opnieuw te overdenken en meer aansprekend in te richten.

Het bevragen van artistiek en cultureel erfgoed heeft een duidelijke positie gekregen in de artistieke praktijk, nationaal en internationaal, via reenactment, performing the archive, oral history en discussies over appropriatie en herinterpretatie. Daar zijn allerlei redenen voor aan te wijzen, variërend van de artistieke reflectie op de precaire positie van performatief en interactief werk te midden van het financiële geweld van de internationale kunstmarkt, die zich vooral richt  op verhandelbare objecten, via het bevragen van de autonomie en het politiseren van kunst, tot een groeiende behoefte om alternatieve artistieke en culturele praktijken beter gerepresenteerd te krijgen binnen de canon en andere institutionele verhoudingen. Hierbij gaan postkoloniale, interculturele, interdisciplinaire en intra-generationele praktijken hand in hand.

De overheid liet het er bij zitten

Marijke Hoogenboom (tot 1 juli hoofd DAS graduate school) zat 13 december jongstleden de ronde tafel van DEN voor. In haar bespreking van een vuistdikke studie over alternatief erfgoedbeleid voor  Theaterkrant formuleert zij de stand van zaken na de sluiting van TIN, MCN en NIMK redelijk scherp: “Zelfs in de recente adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur voor de cultuurperiode 2021-24 onderkent de minister dat er ‘in de podiumkunsten sprake is van een achterstand bij collectiebeheer en toegankelijkheid van het erfgoed’. Geen sectorinstituut, vooralsnog geen collectie in de erfgoedwet, en voornamelijk een groep onverbeterlijke liefhebbers – zoals de leden van de werkgroep NIT – die met talrijke acties het belang van geheugen, debat en reflectie op de agenda houden.” Ondertussen weten we dat de Raad van Cultuur in haar advies aan de minister heeft voorgesteld om geld vrij te maken voor een erfgoedinstelling voor podiumkunsten (theater en muziek), maar het voorstel blijft nog steeds buiten de erfgoedwet. 

Er zijn ook positieve geluiden te horen die ochtend tijdens de ronde tafel van DEN, gehost door de Reinwardt Academie. De muziekspecialisten Jacqueline Oskamp (nieuwe muziek) en Sander van Maas (nieuwe en populaire muziek, luistertradities, UVA) zijn blij met de samenwerking die sinds de kaalslag is ontstaan. In een samenwerking van Muziekweb en Muziekschatten (het bladmuziekarchief van de Stichting Omroep Muziek) zal een groot aantal databases op muziekgebied worden gekoppeld, zodat uiteindelijk iedereen met een browser toegang kan krijgen tot samenhangende materialen en bronnen, zoals bladmuziek, geluidsopnames, verwante documenten en achtergrondinformatie.

 

Het gaat niet alleen om (meta-) data

Jacqueline Oskamp, die Opslaan en Vernietigen (Ambo|Antho, 2017) schreef - over de desastreuze effecten van de bezuinigingen op drie van de grootste Nederlandse muziekcollecties; waarschuwt tijdens de ronde tafel dat digitalisering niet zaligmakend is. “Grootschalige digitalisering wordt ingezet als ‘de oplossing’, terwijl de digitale duurzaamheid niet gegarandeerd is.” Wie gaat de verantwoordelijkheid voor het kostbare onderhoud en de voortdurende vernieuwing van het digitale materiaal op zich nemen? Kan de Nederlandse overheid in dit opzicht als een betrouwbare partner worden beschouwd?

Oskamp benadrukt ook dat het bij erfgoed echt gaat om het behoud en toegankelijk maken van oorspronkelijke documenten en objecten. “Een digitale foto is leuk, maar je wilt toch de oorspronkelijke partituur of het authentieke elektronische instrument kunnen inzien of horen spelen.” Het toegankelijk maken van oorspronkelijk materiaal is minstens zo belangrijk als het integreren en linken van bestaande data en metadata.

Natuurlijk vindt iedereen aan tafel dat er geld moet worden vrijgemaakt om archieven open te stellen voor publiek en professionals. Gemeenschappelijke actie vanuit de verschillende takken van de podiumkunsten en de time based of live arts is daarom buitengewoon belangrijk. Maar welke argumenten kunnen de huidige overheid nog overtuigen?

Tijdens het gesprek worden vele vragen besproken: Hoe kan de sector zelf worden aangesproken? Wie kan verantwoordelijk gehouden worden voor archivering? Welke initiatieven bestaan er al? Hoe kan de achterstand omgezet worden in een voorsprong, gedreven door nieuw geformuleerde uitdagingen? Hoe om te springen met een nationale overheid, die haar prioriteiten verlegt van kunst naar productontwikkeling en creatieve industrie, educatie en integratie? Hoe kan de aandacht verlegd worden van publieks- en kijkcijfers, marketing en branding, naar duurzamere vormen van reach out en inclusieve publieksontwikkeling? Waar zit eigenlijk de motor voor relevant artistiek erfgoed beheer, waar kunstenaars en publiek elkaar kunnen vinden en zowel levende kunst als de traditie een eigenstandige rol krijgen, naast markteconomie en sociaal beleid?

 

Digitalisering en archivering zijn niet hetzelfde

Ook Hans van Keulen (conservator voormalige TIN collectie, nu Bijzondere Collecties UVA) benadrukt het onderscheid tussen de feitelijke data, die volgens hem nog aardig toegankelijk zijn, en de creatieve inhoud van archieven. Bij de voormalige TIN-collectie gaat het ook om talloze objecten (maquettes, kostuums, decorstukken, requisieten, maskers, handschriften, affiches, foto- en videomateriaal en persoonlijke archieven) die onderzoek en uitgebreide toelichting behoeven, willen ze informatie prijsgeven en waarde krijgen voor het collectieve geheugen en bijdragen aan een dieper en inclusiever collectief bewustzijn.

Annet Dekker (webart en archivering, UVA) wijst er op dat de hele manier van archiveren moet veranderen, wil die nog aansluiten bij de hedendaagse praktijk van zowel kunstenaars als publiek. Digitalisering gaat om meer dan het overzetten van analoog naar digitaal. De hele werking van het archief, dus ook de ontsluiting en de bemiddeling of presentatie moet digitaal worden. Dat gaat niet alleen om het koppelen en vernetwerken van informatiestromen, maar ook om het faciliteren van toegang en interactie, online en offline.

De LIMA-collectie is daarvan een goed voorbeeld. Onderzoek, distributie en bemiddeling zijn niet alleen intern aan elkaar gekoppeld, maar worden ook via de online database, internationale samenwerking en publieksprogramma’s voor peers én algemeen publiek toegankelijk gemaakt. Vorig jaar lanceerden LIMA, Frans Hals Museum, Van Abbemuseum, Stedelijk Museum en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed de online catalogus Mediakunst.net.

 

Genetwerkte, kleinschalige activiteiten

Waar er in de muziek en de nieuwe media dus de nodige beweging is ontstaan sinds de kaalslag van 2012, zijn de activiteiten op het gebied van theater en dans nog behoorlijk kleinschalig.

Theaterkrant.nl en TIN

Theaterkrant.nl, het digitale platform van theatertijdschrift Theatermaker, probeert met een zo breed mogelijk recensie-bereik enigszins een hiaat te compenseren, dat door de sluiting van het TIN is ontstaan, nl. het verzamelen van foto-, persmateriaal en recensies van alle voorstellingen die in Nederland uitkomen. Het TIN beperkt zich nu tot een selectie van 100 producties per jaar. Sinds 2009 geeft De Nieuwe Toneelbibliotheek Nederlandse theaterteksten uit.

Werkgroep NIT

De werkgroep NIT is een informele tafel van personen en instellingen die ijveren voor een nieuw verband op het gebied van erfgoed, reflectie, archivering, debat en ontsluiting in de podiumkunsten. 

Initiatieven in de dans

De Nederlandse Dansdagen werkt sinds drie jaar samen met MCACCH (Maastricht Centre for Arts and Culture, Conservation and Heritage) om een dansmuseum op te zetten. Verschillende gezelschappen en kunstenaars zijn bezig met hun archief. Krisztina de Châtel maakte onlangs haar werk toegankelijk online, terwijl bijvoorbeeld het archief van Hans van Manen niet publiek toegankelijk is.

NDT en Holland Festival

Tijdens de DEN-conferentie op 4 en 5 maart vertelden Joost Poort en Elsbeth Dekker hoe het NDT, ter ere van het 60-jarige bestaan, d.m.v. digitalisering en online ontsluiting van het archief alle balletten uit de geschiedenis van het NDT niet alleen probeert te bewaren, maar ook de maatschappelijke waarde ervan wil delen. Dit doet denken aan de database die het Holland Festival heeft opgezet (op initiatief van de afdeling marketing, bijgestaan door een aantal ijverige stagiaires), alwaar de zoekterm Nederlands Dans Theater 49 hits oplevert, waarbij de oudste vermelding teruggaat naar twee wereldpremières van het NDT uit 1963: Madrigalesco van Benjamin Harkavy en Symphony in three movements van Hans van Manen.

Opvallend is hoe afhankelijk alle voornoemde activiteiten zijn van de inzet van ‘onverbeterlijke liefhebbers’ zoals Hoogenboom het noemt, zelfs als het de meest prominente spelers in het Nederlandse veld betreft. Simon van den Berg (hoofdredacteur Theatermaker en mede-initiatiefnemer NIT) merkt op dat het wegvallen van het TIN niet alleen een enorm gat heeft geslagen, maar dat de aandacht voor dat gat ook het zicht op nieuwe ontwikkelingen bemoeilijkt. Het “TIN vormig gat” remt het nadenken over nieuwe vormen van erfgoedbeheer in de theatersector, aldus Van den Berg, terwijl het gat ook als een kans kan worden gezien.

Een initiatief zoals LIMA, waarbij leden van de voormalige staf van het Nederlands Instituut voor Mediakunst de koppen bij elkaar staken en met vereende kracht een aantal belangrijke functies doorzetten, ontbreekt tot nu toe in de theater- en de muzieksector. Dit heeft misschien iets te maken met de hechte band die het voormalige NIMK onderhield met het actieve kunstenveld, doordat het instituut niet alleen aan onderzoek en presentatie deed, maar ook voorzag in behoud, beheer en distributie van werk. Voor theater, dans en muziek geldt deze coïncidentie niet.

Verschillen tussen kunstpraktijken

Per kunstdiscipline verschillen de tradities wat betreft het aanleggen, bijhouden en bemiddelen van documentatie en archief. Beeldend kunstenaars vinden het vanwege acquisitie en verkoop normaal om aan documentatie te doen, en in de museumwereld, de erfgoedsector en de kunsthandel is documentatie en research een serieuze tak van sport vanwege de marktwaarde van oorspronkelijk auteurschap en de authenticiteit van werk. Meer immateriële kunstvormen als dans, muziek en theater doen het daarentegen al eeuwen lang met “tweedehands” vormen van documentatie, zoals notatie en de overlevering van methode en werk door belichaamde praktijken.

De Oostenrijkse danscriticus Helmut Ploebst schreef: “While literature, music, art and film history can rely on more or less established objects for examination, even when they work with a keen sense of the impossibility of evoking the past true to reality, they still can implement tools one largely has to do without in the choreographic field. Thus the attempt of building up a theoretical background comparable to less ephemeral forms of art for dance and performance is accompanied by extreme difficulties.” [1]

[1] Helmut Ploebst in zijn nawoord bij no wind, no words, New choreography in the age of the spectacle, 9 portraits, K.Kieser Verlag, München, 2001, p. 271.

Het spreekt vanzelf dat ook de “more or less established objects for examination” waar Ploebst het over heeft, met zorg moeten worden bewaard en bemiddeld, wil er een collectieve werking uit kunnen worden gedestilleerd, of die nu wordt ingezet voor theoretische reflectie, publieke beleving of artistieke ontwikkeling. De stellingname van Ploebst benadrukt vooral de kwetsbaarheid van dans en kan gevoegelijk naar alle variabele en performatieve kunstvormen worden uitgebreid. In het gevecht om de erfgoedgelden dreigen deze er steeds zeer bekaaid vanaf te komen.

 

Voorlopig en variabel

Choreograaf William Forsythe beschrijft in zijn essay Choreographic Objects  uit 2008 hoe “the real experience of the position of physical practices, specifically dance, in western culture” bemoeilijkt wordt door ideologische kaders. “Denigrated by centuries of ideological assault, the body in motion, the obvious miracle of existence, is still subtly relegated to the domain of raw sense: precognitive, illiterate.” 

De immaterialiteit, voorlopigheid of variabiliteit van dans, performance, theater, installaties, webart en andere interactieve, open en generatieve vormen van kunst bemoeilijkt ook in praktische zin de archivering. Forsythe’s formulering over dans kan toegepast worden op veel meer terreinen: “As poignant as the ephemerality of the act might be, its transient nature does not allow for sustained examination or even the possibility of objective, distinct readings from the position that language offers the sciences and other branches of arts that leave up synchronic artifacts for detailed inspection. This lack of persistence through time, like the body itself, is natural and suspect at the same time. The irretrievability of the choreographic enactment, though possibly engendering a nostalgic thrill perhaps also reminds the viewer of the morbid foundations of that same sentiment."

Het essay van Forsythe maakt onderdeel uit van een groot project, Synchronous Objects, waar nieuwe technologie werd ontwikkeld en ingezet om de vluchtige materialiteit en organisatie van dans te vertalen naar een variëteit aan digitale objecten, om kennis en methode verder te ontwikkelen en werk te documenteren en toegankelijk te maken voor derden.

 

Van analoog naar digitaal naar postdigitaal

In de loop van de jaren ‘90 en begin 2000 ontstond er in de dans een ware hausse aan interactieve projecten en publicaties, die het werkingsproces van dans en choreografie analyseren en documenteren. Na voorlopers als Merce Cunninghams softwareprogramma Life Forms (1989) en Forsythe's cd-rom Improvisation Technologies (1999) werd bijvoorbeeld het archief van de Londonse choreografe Shioban Davies online gezet, terwijl in Frankfurt met het project Motionbank geëxperimenteerd werd met verschillende digitale technieken om het werk van uiteenlopende choreografen (Deborah Hay, Bebe Miller/Thomas Hauert en Jonathan Burrows/Matteo Fargion) te noteren, ofwel: uiteenlopende vormen van score te ontwikkelen.

Ook Rosas documenteert het werk van Ann Teresa de Keersmaeker met uitgebreide publicaties, waarbij heel opvallend het digitale en analoge dwars door elkaar lopen. Dit zijn alle complexe projecten, die alleen met enorme budgetten kunnen worden uitgevoerd.

Maar veel dansmakers raakten geïnspireerd om zich juist weer met analoge, fysieke varianten van performing the archive bezig te gaan. Olga de Soto brengt sinds eind jaren ‘90 het dansgeheugen van performers en toeschouwers in kaart. Zij combineert oral history met archiefmateriaal en eigen onderzoek tot interdisciplinaire voorstellingen, spelend met de poreusheid van disciplines als documentaire, performance, beeldende - en installatiekunst.

Een ander mooi voorbeeld is de manier waarop Boris Charmatz het werk van Cunningham reïtereerde, door de reenactment van een klassiek dansfotoboek over deze choreograaf in 50 years of dance / Flipbook / Roman Photo uit 2009. Hij had toen al met Isabelle Launey Entretenir, à propos d'une danse contemporaine (Les Presses du Reèl, 2003) uitgebracht, waarin hij de principes van zijn werk in allerlei kaders en referenties inbedt, tekstueel en visueel. Charmatz was bovendien van 2009 tot 2018 actief met zijn Musee de la Danse.

In Nederland hebben ook een aantal digitale choreografische trajecten plaats gevonden, o.a. door Bianca van Dillen, Karin Post en Krisztina de Châtel (zie bv. het project Super Eva met Marnix de Nijs). Wat betreft documentatie en archivering zijn de projecten van Bertha Bermudez bij ICK (Capturing Intention, Inside Movement Knowlegde en Prechoreographic Movement) samen met Scott Delahunta (Motionbank) en Chris Ziegler (Improvisation Technologies) de meest uitgebreide.

Steeds gaan bij dit soort projecten meerdere doelstellingen samen: vragen over hoe een bepaalde artistieke benadering kan worden gedocumenteerd en hoe specifieke werken kunnen worden geconserveerd gaan hand in hand met overwegingen over de ontsluiting van deze documenten voor een toekomstig publiek van professionals en liefhebbers, insiders of algemeen publiek. Reenactment en herinterpretatie spelen daarbij steeds een grote rol, of dit nu het eigen werk betreft of dat van een ander.

 

Cover

Moos van den Broek zette in die lijn bij Frascati het project Cover op, waarbij onafhankelijke en structureel gesubsidieerde choreografen en instellingen samenwerkten. Toenmalige, hedendaagse makers als Anouk van Dijk, Leine & Roebana, Greco & Scholten werden gevraagd ouder repertoire van Van Manen, Van Dantzig, Lutgerink en Gale te hernemen. Op een archief pagina van De Nederlandse Dansdagen, waar het initiatief een vervolg kreeg in 2007, is nog iets te lezen over het programma, maar de link naar de oorspronkelijk website van Cover werkt niet meer.

Moos van den Broek gaf mij jaren geleden al aan dat ze geen idee had wat er met de website, en alle data die daar verzameld waren, is gebeurd. Er zal een digi-archeoloog aan te pas moeten komen om het uiterst charmante, even kleinschalige als effectieve erfgoedproject http://www.cover-project.com/ weer boven water te krijgen.

Terwijl ik mijn geheugen pijnig om meer kunstenaars en projecten met digitale middelen en dans uit de jaren ‘90 boven water te krijgen, zoek ik browsend op dans en digitaal. Het enige dat naar boven komt is een portal van de KNAW: “Welkom bij DANS, het Nederlands instituut voor permanente toegang tot digitale onderzoeksgegevens.” Met dans heeft deze website verder weinig te maken.

 

Waarden en status

Zijn we voor wat betreft de herinnering aan en verbinding met oudere praktijken in vluchtige kunstvormen afhankelijk van wat er online werd gepubliceerd door groepen en individuele kunstenaars - in de vorm van aankondigingen, promotie, blogs en vlogs? Het zijn de afdelingen communicatie en marketing die, zowel in het geval van Holland Festival als Nederlands Danstheater, het initiatief hebben genomen tot archivering (van promotie materiaal). En wat als die pagina’s offline worden gehaald, omdat een abonnement afloopt of een instelling opgeheven wordt?

Behalve verschillen tussen disciplines, spelen ook statusverschillen een rol. Tijdens de ronde tafel bij DEN wijst Sander van Maas er op hoe dit kan leiden tot een heel selectief gevoel over bewaarplicht of noodzaak tot archiveren. De ontwikkelingen in de Nederlandse dance, exportproduct bij uitstek, worden in Nederland nergens op een serieuze manier bijgehouden. Als argument wordt vaak een gebrek aan budget en capaciteit aangegeven. Terwijl er toch een flinke duit wordt verdiend in die sector. Het onderscheid tussen commercieel en institutioneel gefinancierd cultuurgoed blijkt dus ook een belangrijke rol te spelen.

Hans van Keulen verwijst naar de Belgische situatie, waar gesubsidieerde gezelschappen verplicht zijn een deel van hun budget te besteden aan documentatie. Even duiken ook de archieven van kunstfondsen op, die een schat aan materiaal beheren met alle aanvragen, evaluaties, toekenningen en afwijzingen, maar welke vanwege de vertrouwelijkheid uiteraard niet openbaar gemaakt kunnen worden. Maar dance wordt niet gesubsidieerd. En daarmee wordt de archivering ervan kennelijk overgelaten aan liefhebbers -professional of amateur.

 

Inclusiviteit

Wat ons bij de hamvraag brengt, het hete hangijzer, de vuurproef van ieder archiefbeleid: wat en wie wordt er in welk archief opgenomen en aan de monnikenarbeid van archivaris en documentalist onderworpen? Of kunnen we hen ontslaan en gaan we voortaan alles aan gebruikers overlaten, door wiki-archieven aan te leggen? Laten we het publiek met selfies en snelle video-shots de documentatie maken?

 

Tijdens de ronde tafel formuleert Marijke Hoogenboom het heel duidelijk: Waar moet de vraag naar archivering vandaan komen? Wie zijn de ideale gebruikers, en dan gaat het zowel om mensen die spullen komen afleveren als zij die er zaken willen opzoeken? Idealiter zou dat iedereen moeten zijn, maar het kan geen kwaad om te beginnen met die groepen te faciliteren, die uitdrukkelijk hun belang formuleren, stakeholder zijn en energie willen steken in het boven tafel krijgen van specifieke vormen van erfgoed.

Need for legacy

Gable Roelofsen (muziektheatermaker), die tijdens het afgelopen Theaterfestival het programma The Need for Legacy modereerde, draait daarom de vraag om: “Hoe kun je met een podiumkunsten-archief in de informatiestroom gaan staan? Hoe kan het archief, hoe het ook wordt opgebouwd, uitgebouwd of behouden, weer actief gemaakt worden? En welke rol speelt digitalisering daarin? Hoe kan digitalisering aan fysieke beleving worden gekoppeld?”

Roelofsen stelt dat het doorzien van schijnobjectiviteit, een eeuwenoud probleem van het ‘objectieve’ archief, consequenties heeft. Het omarmen van onvolledige en uitgesproken subjectieve posities in het archief mag explicieter. Het herschikken en heruitvinden van het archief biedt kansen om de blinde vlekken en leemtes in het archief te repareren.

Archivering en the need for legacy moet vooral ook gezien worden als een ontmoeting tussen diverse groepen en verschillende generaties kunstenaars en publieken, die vanuit interesse met elkaar in gesprek gaan en erfgoed organiseren, zoals bijvoorbeeld bij The Black Archives gebeurt.

Simon van den Berg beaamt dat ook de theatersector in brede zin behoefte heeft aan een plek van ontmoeting en reflectie. Marijke Hoogenboom voert het voorbeeld van Aktie Tomaat op, waarbij het diverse partijen niet lukte de middelen bijeen te brengen om het vijftigjarig jubileum van de actie van Lien Heyting en Ernst Kats en alle meer en minder structurele gevolgen voor de podiumsector in Nederland van dit luttele feit, te vieren.

 

Communities

Vivian van Saaze (directeur MCACCH) benadrukt het belang van het in kaart brengen van de verschillende waarden waarmee archivering en documentatie wordt geassocieerd en de functies waar ontsluiting en bemiddeling op moeten aansluiten. Als voorbeeld van een alternatieve werkwijze noemt zij de Joan Mitchel Foundation, die hele communities betrok bij het proces van archivering en ook het gesprek tussen jonge en oude makers over gebruik van legacy inzette.

Dekker stelt dat er heel veel bereikt kan worden met het opschalen van bestaande activiteiten, door een netwerk van personen, organisaties en systemen, in plaats van te denken in termen van één groot archief. Zij verwijst naar een experimentele tentoonstelling in het Bonnefanten Museum: Een Postume Samenwerking, Ine Schröder en haar Archief.

De nalatenschap van Ine Schröder (1951-2014) is ondergebracht bij verschillende personen, die ieder een eigen verhaal te vertellen hebben. Bij de tentoonstelling staat bovendien de vraag centraal: Hoe kan een museum een oeuvre representeren dat door de kunstenaar zelf grotendeels vernietigd is, op grond van een artistiek beginsel dat het kunstobject relativeert en het vluchtige centraal stelt?

 

Conclusie

Het archief is eigenlijk een groep mensen, zegt Sander van Maas. Het archief is een vorm van storytelling, zegt Annet Dekker. Communities en werkgroepen, storytelling en hergebruik of  herinterpretatie - aan het einde van de twee uur ronde tafel wordt duidelijk dat er enorm veel mogelijk is, mits groepen stakeholders actief worden en instellingen openstaan voor vernieuwing en facilitering van hun vragen. Daarvoor is meer budget nodig. Daar kan DEN niets aan doen.

Eerder in het gesprek had Sander van Maas al op de verandering in het gebruik van muziek gewezen, nl. dat iedereen tegenwoordig uit bibliotheken tapt om muziek te luisteren. Met andere woorden: via het web is de archivale logica omnipresent. In het al eerder genoemde artikel beschrijft Marijke Hoogenboom hoe de Duitse Freie Szene een gedecentraliseerd archief ambieert.

Marjorie Boston van Rightaboutnow inc. zegt het in een interview met Theatermaker weer anders: “Wij zien dat het hele cultuurbestel gaat veranderen. Daarin willen wij pionieren. Ik denk dat het veel meer zal gaan over het maatschappelijke belang binnen cultuur, en dat je dat ook moet laten zien aan de politiek en de subsidiënten. Bezoek aan theaters loopt terug. En dat heeft ermee te maken dat wat daar gebeurt, losgekoppeld is van wat er buiten gebeurt. In soort mensen, in thema’s, in vraagstukken, ga zo maar door. We gaan op termijn onvermijdelijk naar een bestel waarin je belang binnen de maatschappij meer gaat tellen dan je legacy, je staat van dienst.”

Het betrekken van volgende generaties publiek en professionals bij artistiek en cultureel erfgoed levert een hele andere invalshoek op dan die van het beheer en verknopen van bestaande collecties. Dan is de digitalisering van geannoteerde partituren niet genoeg. Onderzoek, overdracht en spreiding, vormen een vierde laag, naast pure (administratieve) data, artistieke inhoud en technologische bedding.

Centrale vragen zijn dus: Bij wie ligt de verantwoordelijkheid en waar zit de motor? Net als bij gentrification, hebben ook bij digitalisering experimentele kunstenaars het voorwerk gedaan. De vraag is nu hoe het institutionele veld daarmee omgaat. Staan zij open en stellen zij delen van hun functie en budgetten beschikbaar om het veld zijn werk te laten doen? Ik zie uit naar de volgende ronde tafel!

Fransien van der Putt

Dramaturg en criticus

Fransien van der Putt is dramaturg en criticus. Zij werkt o.a. met Lana Coporda, Vera Sofia Mota, Roberto de Jonge, João Dinis Pinho & Julia Barrios de la Mora en Branka Zgonjanin. Zij schrijft over dans en theater voor Cultureel Persbureau, Theaterkrant en Dansmagazine. Tussen 1989 en 2001 mixte zij tekst als geluid bij Radio 100. Tussen 2011 en 2015 ontwikkelde zij een minor voor de BA Dance, Artez, Arnhem – over artistieke processen en eigen onderzoek in dans. Binnen haar werk heeft zij speciale aandacht voor de betekenis van archieven, notatie, discours en theatergeschiedenis in relatie tot dans in Nederland. Samen met Vera Sofia Mota onderzoekt zij in opdracht van www.li-ma.nl het werk van video-, installatie- en peformance- kunstenaar Nan Hoover. bron: cultureelpersbureau.nl

Thema's
Deel dit artikel