Cookies op DEN.nl
den.nl maakt gebruik van cookies voor het anoniem meten van het website bezoek en het vergroten van het gebruiksgemak. Door op 'ga verder' te klikken, geef je toestemming voor het gebruik van deze cookies.

Presentaties en abstracts dag 1 Digitaal Erfgoedconferentie 2006



12 december 2006 (eerste congresdag)

Bert Lever (Raad van Toezicht Digitaal Erfgoed Nederland)
Tien jaar DEN (presentatie niet beschikbaar)



Keynote 1: Danielle Boily (CHIN)
The Virtual Museum (of Canada): The Next Generation?
This paper follows up on the seminal paper, “The Virtual Museum(of Canada): The Next Generation” (2001) which sought to help us make choices and prepare the ground for further innovation. Some of the primary trends that that paper explored, such as the hybridization of the concept of the museum, the increasing interpenetration of physical and virtual space, the advantages of a modular, pan-institutional structure, audience participation in the creation of content, and the deployment of wireless, locative media devices were, at the time, outside the CHIN mandate. Today, we have seen these scenarios become reality. At the same time, we are dealing with issues that were not apparent 10 years ago: privacy, intellectual property rights, and the volume and variety of information and communication. From experimenting with the technology and focusing on the content, we have shifted to experimenting with the social aspect of the tools available and focusing on the audiences. The future of the virtual museum is increasingly that of a platform—for its audiences and its institutional clients. While authoritativeness will remain a critical differentiating factor for the Virtual Museum of Canada, the key to sustainability in every area investigated, from audiences to interfaces to content to infrastructure, is creating the tools and platforms that will allow others—both individuals and institutions—to create the compelling experiences that will ultimately make the VMC successful at the scale of its ambitions. Two key ideas are:

  1. The next generation virtual museum is more audience-centered;
  2. The next generation virtual museum needs to understand for every single function it performs, how it can be a platform to support efforts by both individuals and institutions in that area, as well as creating model applications. This paper will present the methodology developed to analyze audience needs and interests, the evolution of the social web, the services developed to enhance the skills development of museum personnel (promoting communities of practice and peer learning), the schools-museums partnership to promote youth learning with museums, and CHIN’s current research agenda.



Sessie 1.1: Erfgoed interactief: Noortje Heijboer (Antenna)
Using technology to extend the visit beyond the museum walls
Musea hebben in de afgelopen jaren met diverse nieuwe technologieën geëxperimenteerd om hun informatie over collecties en tentoonstellingen ook buiten het museum toegankelijk te maken. Bookmarking en podcasting zijn hierbij twee effectieve methoden gebleken. Het stelt het museumpubliek in staat om, onafhankelijk van plaats en tijd, toegang tot informatie te krijgen. Tijdens deze conferentie geeft Antenna Audio - gespecialiseerd in o.a. het maken van audiotours voor musea en culturele instellingen - inzage in deze nieuwste ontwikkelingen. Voorbeelden uit de internationale museumsector zullen worden getoond en toegelicht, zoals van: Tate Modern (Londen), J.P. Getty Museum (Los Angeles), Museum of Science (Boston), Tech Museum (San Jose) en het San Fransisco Museum of Modern Art, aangevuld met gebruikersstatistieken en evaluatiestudies.



Sessie 1.2: Erfgoed interactief: Mark Vanderbeeken (Experientia)
"Playful media interactions"
"Gedurende de laatste jaren is er een conceptuele revolutie geweest in hoe organisaties cultureel erfgoed toegankelijk maken en hoe men voor mensen (ook wel "eindgebruikers" genoemd) een engagerende eindervaring kan creëren. In mijn korte presentatie licht ik in eerste instantie de nieuwe concepten van user-centred design en experience design toe en geef vervolgens een aantal voorbeelden van interactieve ervaringen in de publieke context. Vervolgens ga ik dieper in op de relevantie van "playfulness" in deze context. Wat is "playfulness"? Wat is "playful learning"? Wat is de relatie tussen "playfulness" en "natuurlijke interactie" (het centrale thema van het volgende boek van Donald Norman)? Ik sluit af met een aantal voorbeelden rond playful interactions en met een aantal ideeën/vragen/suggesties rond het ontwerpen van "playful" ervaringen met digitaal erfgoed."



Sessie 1.3: Erfgoed interactief: Jeroen Loeffen (Villa Koopzicht)
De waarde van communitydenken en het belang van sociale relaties
De maatschappij en daarbij ook ieder individu, beschikt over steeds meer communicatiemogelijkheden en -expertise. Ondanks de overvloed aan informatie en entertainment, gaan mensen ongeacht het medium meer informatie zelf genereren, etaleren en met elkaar delen. Iedereen is bronwaardig. Wat er gezegd wordt is belangrijker dan wie wat zegt. Bij voorkeur in ‘lichte’ verbanden waarbij gemeenschappelijke ervaring en beleving centraal staan. Deze groepen kunnen niet meer bereikt worden zoals de ‘traditionele’ doelgroepen. De diversiteit tussen mensen wordt zichtbaar groter. Er zijn steeds meer verschillen in cultuur, mediawijsheid en relaties. Bereiken we elkaar nog? Hoe worden we er beter van? Ik wil spreken over de kunst en eenvoud van het faciliteren, organiseren en (h)erkennen van sociale relaties met als doel er met z’n allen wijzer of beter van te worden. Over duurzaamheid, betrouwbaarheid en veiligheid van communicatie en relaties. Hoe bereik je dat als organisatie? Wat zijn de randvoorwaarden voor alle betrokkenen en de organisator in het bijzonder? Wat zijn de succesfactoren? Hoe waarborgt de erfgoed instelling haar waarde en nut voor het individu en voor de maatschappij?

Sessie 2.1: Interoperabiliteit / samenwerking: Catherine Hardman (AHDS/ADS/HEIRPORT)
Opening the door to your data: Portals, data sharing, co-operation and the ADS experience
The potential for online delivery and re-use of datasets has been broadly recognised and is actively encouraged by both national heritage agencies and academic funding bodies in the UK (e.g. the Arts and Humanities Research Council). In the UK we have now reached a situation where, rather than treating each resource as a self-contained entity with its own data structure and vocabulary it has become possible to amalgamate and aggregate resources and to undertake cross-searching. What is described as the semantic interoperability of data sets has become important, whether these are multiple data sets held on a single server or whether they are distributed across multiple physical hosts and accessed by what we may loosely term ‘portal technology’ (e.g. Austin et al 2002; Kilbride 2004). These are the subjects that I will touch on in my paper. I will discuss the Archaeology Data Service’s experiences in working with portal technologies both within the UK (alongside other UK-based national agencies) and also our experiences in the European arena.



Sessie 2.2: Interoperabiliteit / samenwerking: Michael Buckland (UNIVERSITY OF CALIFORNIA)
Access to Digital Heritage Resources Using What, Where, When and Who

The Electronic Cultural Atlas Initiative is an informal international collaboration seeking to advance research and education in the humanities and social sciences through greater attention to time and place . Understanding requires knowing the context. Descriptive metadata constitute a form of infrastructure. Recent research on improved access using What, Where, When, and Who will be presented. - WHAT needs mappings between different vocabularies and search term recommender systems, as well as conventional cross-references within individual vocabularies. - WHERE requires place name gazetteers, which should indicate when a name was in use. Combining a gazetteer with the catalog of an archive, library, museum, etc., allows provision of map interfaces both to show the geographic distribution of search results and also to help specify the geographic aspect of search queries. - WHEN is often expressed by named periods (reigns, wars, events) so a named time period directory (resembling a place name gazetteer) is needed to relate named time periods to calendar dates, chronologies, and time-lines. - WHO: Name authority files already exist to disambiguate personal identities. We now need best practices and standards for encoding the events in peoples’s lives and, also, vocabularies for expressing interpersonal relationships. A prototype web search portal using What, Where, When and Who will be briefly described.



Sessie 2.3: Interoperabiliteit / samenwerking:Franco Niccolucci (EPOCH)
Digital libraries and virtual museums: a challenge for digital heritage
The lecture will start considering the most important challenges Cultural Heritage has to face now and how digital technology may help. Interaction with visitors and their new attitude and visiting patterns will be shortly discussed. The lecture will then compare the concepts of Digital Library (DL), which now seems to be a first-order priority in the research agenda, and Virtual Museum, and will discuss any specificity of the heritage domain not taken into account by the usual development of DLs. However, many of the concepts are common and among others semantic interoperability. This requires standardization in documentation as a prerequisite. An operational, effective, costless and little invasive solution will be proposed. This second part will focus on documentation, both the one usually necessary for heritage and the additional one which is necessary to guarantee reliability and quality to heritage interpretation and communication using information technology, visualization techniques as VR in particular, in the above mentioned perspective of new visitor services.



Sessie 3.1: Duurzaamheid: Paul Wouters (VIRTUAL KNOWLEDGE STUDIO)
Web archieven als onderzoeksinstrument – zit daar muziek in?
Inmiddels is het World Wide Web voor miljoenen mensen normaal onderdeel geworden van het dagelijks leven. Ze maken er op allerlei wijze gebruik van en laten daarmee sporen na van hun sociale en culturele activiteiten. Vaak zijn dat sporen die alleen op het Web bestaan. Daarmee is het Web voor cultuurwetenschappers een rijke bron van onderzoeksgegevens. Het scheppen van Webarchieven ligt dan voor de hand. In mijn lezing zal ik de problemen en dilemma’s schetsen waarmee onderzoekers worden geconfronteerd zodra zij Webarchieven willen gebruiken, op basis van twee recente Webarchiveringsprojecten van de Virtual Knowledge Studio. Tevens zal ik de implicaties voor het aanmaken van Webarchieven belichten. Daarbij zal ik kort ingaan op de rol van digitaal geesteswetenschappelijk onderzoek in de constructie van cultureel erfgoed. De lezing besluit met een schets van een onderzoeksagenda voor de nabije toekomst en de rol die erfgoedinstellingen daarin kunnen spelen.



Sessie 3.2: Duurzaamheid: Filip Boudrez (EDAVID)
Archiveren van digitale dromen en van content
Het DAVID-project ontwikkelde een archiveringsstrategie voor websites (zie: www.edavid.be/davidproject). De digitale bewaarstrategie en het beslissingsmodel van het DAVID-project liggen aan de basis van deze strategie. In het eerste deel van de presentatie wordt toegelicht hoe vanuit de identificatie en de waardering van de archiefdocumenten een archiveringsprocedure voor een website wordt opgebouwd en hoe vanuit de archiveringsdoelstellingen de bijhorende archiveringsmethode wordt gekozen. Hierna wordt ook geschetst hoe deze archiveringsstrategie in de praktijk wordt toegepast. Het stadsarchief Antwerpen implementeerde deze strategie en past ze toe voor diverse types websites. Tijdens de presentatie wordt dit geïllustreerd aan de hand van twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld is een website waarmee dromen over de stad Antwerpen worden ingezameld en verspreid. Het tweede voorbeeld betreft de website van de stad Antwerpen zelf die door een Content Management Systeem wordt aangestuurd en waarvan de archivering nu volledig automatisch verloopt.



Sessie 3.3: Duurzaamheid: Jeffrey van der Hoeven (KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK)
“Emulatie: duurzame toegang tot het verleden” Om toegang te behouden tot de digitale publicaties in het e-Depot, het elektronische depot van de Koninklijke Bibliotheek, worden verschillende strategieën bedacht en ontwikkeld. Emulatie is zo’n bewaarstrategie die het mogelijk maakt objecten, zoals tekst documenten, afbeeldingen, maar ook multimedia applicaties, in de oorspronkelijke vorm en met behoud van functionaliteit te bekijken, zonder het object zelf aan te passen. Dit in tegenstelling tot migratie, waarbij het object wordt geconverteerd naar een meer gangbaar formaat of versie.

Samen met het Nationaal Archief is de KB in april 2005 een tweejarig project gestart met als doel emulatie als bewaarstrategie verder uit te werken en een operationele emulator te ontwikkelen. Emulatie kan het best worden omschreven als het nabootsen van een bepaald computerplatform of computerprogramma op een ánder platform of programma. Hierdoor kunnen documenten worden geopend of programma’s worden gedraaid op een computer die hier eigenlijk niet voor bedoeld is. Dit gebeurt door een emulator, een programma dat als het ware een extra laag creëert tussen een bestaand platform (host platform) en het te emuleren platform (target platform).

Complexe objecten, zoals de nieuwste generatie PDF documenten, websites en computer applicaties, zijn meestal sterk afhankelijk van lay-out en functionaliteit (de interactie tussen mens-software en software-hardware). Deze eigenschappen kunnen verloren gaan wanneer gekozen wordt migratie toe te passen. Een ander risico van migratie is dat het origineel (periodiek) geconverteerd moet worden, waardoor er fouten tijdens de opeenvolgende migratiestappen kunnen ontstaan. Emulatie kent deze gevaren echter niet. De belangrijkste reden dat emulatie nog niet op grote schaal wordt toegepast, is de complexiteit ervan. Het ontwikkelen van een emulator dient zeer nauwkeurig te gebeuren en dat maakt het een lastige en kostbare taak. Als een emulator eenmaal is ontwikkeld, biedt het echter wel de mogelijkheid vele diverse digitale objecten toegankelijk te maken, zonder extra inspanning. De initiële kosten worden dus snel terugverdiend wanneer men miljoenen objecten toegankelijk zou willen houden. Afhankelijk van de wensen van de toekomstige gebruiker, kan de juiste strategie gekozen worden. Als een toekomstige gebruiker alleen de tekst van een bestand zou willen inzien, is het gebruiksvriendelijker het bestand in kwestie te migreren naar een recentere versie. Voor gebruikers die echter geïnteresseerd zijn in de originele uitstraling en functionaliteit van een object en omgeving, is emulatie bij uitstek geschikt. Uiteraard dient dan ook de oude software en de beschrijvingen hiervan bewaard te worden. Voor meer complexe objecten zoals multimedia applicaties is emulatie zelfs de enige oplossing tot duurzame toegang, omdat dergelijke objecten niet te migreren zijn.



Sessie 4.1: E-marketing: Jelmer Boomsma (GRRR)
"Experts bestaan niet, alleen experimenten"
Om een jonger publiek voor de Amsterdamse Museumnacht 2006 aan te spreken is gebruik gemaakt van Hyves, het grootste Nederlandse sociale netwerk, en zijn laagdrempelige tools ingezet waarmee jongeren zélf de boodschap van de organisatie onder elkaar verspreidden. We vertellen over onze aanpak en onze ervaringen. En verder: waarom werd een kleine "widget" voor het Rijksmuseum een groot succes? We proberen het te verklaren. Presentatie door Rolf Coppens en Jelmer Boomsma | Grrr.

Sessie 4.2: E-marketing: Jos Verwoerd (POSTBANK)
Presentatie niet beschikbaar.

Sessie 4.3: E-marketing: Thomas Widdershoven (Thonik)
Presentatie niet beschikbaar.



Sessie 5.1: Shared Workspaces: Elaine Peterson (Montana State University)
Cataloging and Web 2.0
Before the Internet, libraries and museums employed traditional cataloging to organize their collections. As the Internet Age began, repository institutions usually positioned themselves with a simple home page but continued to employ the same type of cataloging. Now with Web 2.0 and an increased patron expectation of interactivity, how can institutions best position themselves to take advantage of these new developments? Should the same path be taken or will change be needed? I will first discuss the tenets of traditional cataloging and its strengths and weaknesses. I will then turn to a discussion of Web 2.0 and some of the innovations it features. In particular, I will look at applications that employ some type of subject cataloging, including folksonomy, wikis, and blogs. How can cataloging best take advantage of a user base that expects this level of interactivity? I argue that in an interactive, networked world, traditional cataloging might actually best serve users. Traditional taxonomy allows efficient retrieval of information and gives patrons consistent results. Because of that consistency, users will be able to retrieve and repackage the information for their own needs. I will conclude with some concrete examples of how both systems might fruitfully be employed and perhaps even have a symbiotic relationship.



Sessie 5.2: Shared Workspaces: Peter Slo (OPEN UNIVERSITEIT)
Shared learning spaces
Momenteel maken we wat sommigen een digitale revolutie noemen door, hetgeen kort gezegd betekent dat de digitale computer een steeds indringender en onontkoombaarder rol in onze maatschappij aan het vervullen is. Ook het onderwijs kan zich daaraan niet onttrekken. Het onderwijs vervult allerlei maatschappelijke functies. Het laat vooral jonge burgers kennis maken met ons historisch erfgoed en met de waarden en normen van de maatschappij waarin ze leven. Daarnaast leert het burgers allerlei praktische kennis en het leidt mensen vooral ook op tot het vervullen van een zinvolle, economisch productieve rol in de maatschappij. Ik zal vier trends onder de loep te nemen, twee die de maatschappij als geheel betreffen en twee die specifiek zijn voor het onderwijs. De drijvende kracht achter de maatschappelijke trends is de steeds snellere introductie van steeds meer technologische vernieuwingen. Daardoor veroudert de economisch relevante kennis die we als mensen hebben steeds sneller. Daardoor ook verandert onze cultureel erfgoed op niet triviale wijze. Deels in reactie hierop verandert het onderwijs. Men heeft het 'nieuwe leren' uitgevonden, dat een mengeling is van allerlei ingrediënten: meer zelfstandigheid van leerlingen (vraagsturing), een accent op competenties ten koste van kennis, en leren in sociale verbanden, top-down of bottom-up georganiseerd.

Juist dat samenwerkend leren leidt tot shared learning spaces. Men heeft ook grote verwachtingen van de heilzame invloed van ict, niet alleen als middel om het nieuwe leren te faciliteren, maar ook om de wereld van jonge mensen in het onderwijs binnen te halen. De nieuwe digitale hangplekken van jongeren (MSN, second life, MySpace) moeten gladjes overgaan in de te ontwerpen shared learning spaces. Maar of dat lukt is nog een open vraag.

Sessie 5.3: Shared Workspaces: Geert Jansen (BURO KNAPZAK)
Ondergrond; Bijzondere Applicatie voor en uit Nederland (presentatie niet beschikbaar)
De nieuwe trend is gezet. Sociale software op het web zorgt ervoor dat je de browser niet meer hoeft te verlaten . De golf van nieuwe webdiensten is tijdens de gelijknamige conferentie in Silicon Valley in Californië Web 2.0 gedoopt. Diensten als Basecamp (samen werken aan projecten), Hyves (netwerk van vrienden opbouwen en beheren) en Flickr (online fotoalbum) hebben allemaal één ding gemeen: wij, de gebruikers, drijven deze sites. Daarnaast kunnen we bij het merendeel van deze sites de informatie zelf ordenen door middel van trefwoorden – ‘tags’ – aan de data te koppelen. Een dergelijk systeem wordt ook wel een folksonomie genoemd. Het is een omschrijving voor wat eerst bekend stond als social classification: het indelen van objecten (data) door grote groepen gebruikers. Dit in tegenstelling tot de taxonomie, waarbij dat door een (deskundige) autoriteit wordt ingedeeld op basis van categorieën.

Om de mogelijkheden van deze innovatie ook aan het MKB in Nederland over te kunnen brengen, hebben een zestal studenten van de European Media Master of Arts van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht in opdracht van en in samenwerking met het Telematica instituut een demonstratie van een folksonomy of web 2.0 applicatie binnen een Nederlands cultureel domein gemaakt. Hierbij hebben de studenten de keuze gemaakt om een platform te maken voor Nederlandse straatkunst in de vorm van een folksonomie systeem. Het systeem demonstreert hoe partijen de gebruikers meer kunnen laten participeren in een dienst. Hoe een brede schat van informatie en kennis gedeeld kan worden en per persoon heel specifiek en persoonlijk kan worden aangeboden. Gebruikers kunnen foto’s van de straatkunst in hun omgeving uploaden en deze annoteren met gegevens over de plaats van het werk, emoties, genre, het medium (graffiti, sticker, e.d.) etc. Doordat de gebruiker actief betrokken is bij het organiseren van de data, is het systeem in staat op persoonlijke informatie te registreren en ten dienste van de gebruiker terug te koppelen. Zo kan het systeem op basis van het gebruikersgedrag suggesties doen en specifieke informatie aanbieden. Om de kwaliteit van de metadata te toetsen is er in het systeem een categoriserend vragensysteem geïmplementeerd. Door de gehele gebruikersgroep vragen te stellen over door een gebruiker toegevoegde metadata, is het systeem in staat om binnen een specifieke context metadata te controleren en nieuwe metadata te laten ontstaan. Ook heeft de gebruiker de mogelijkheid om favorieten werken te verzamelen en werken die geen kwaliteit hebben zo ook te kenmerken. Hierdoor zullen de gekenmerkte dataobjecten respectievelijk in een hall of fame terechtkomen of achterraken in het systeem. Doordat de digitale straatkunst databerg voorzien is van metadata is het mogelijk deze in variërende context te plaatsen. Een context die de gebruiker zelf kan bepalen, zodat hij kan zien wat hij wil zien en zelfs op bepaalde kunst wordt gewezen aan de hand van zijn profiel. Gebruikers kunnen zodoende hun eigen exposities samenstellen op basis van bijvoorbeeld de kleur van de objecten, thema’s als politiek of het medium. De kunstenaar zelf krijgt de mogelijkheid om zijn werk te exposeren voor een zichtbaar publiek. Bovendien krijgt de straatkunstenaar nu reacties op zijn werk, doordat de overige gebruikers er metadata aan toe kunnen voegen. Voor deze doelgroep was het van belang dat er een sterke sociaal karakter aan werd meegegeven. Er is zijn daarom features zoals een forum, agenda en een hall of fame aan het systeem toegevoegd. Het systeem biedt echter ook de mogelijkheid om met andere features voor een andere doelgroep en binnen een ander domein te worden ingezet. Momenteel wordt er gewerkt aan een Wap-interface, zodat de gebruiker ook direct vanaf de straat met zijn mobiele telefoon een foto kan maken en kan uploaden naar ondergrond.org. Ondergrond.org is tot stand gekomen door een samenwerking van het Telematica Instituut en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht gefinancieerd via de RAAK regeling van het Ministerie van OCW. www.ondergrond.org

Sessie 6: ICT-onderzoek en erfgoed; wat hebben we aan elkaar? PAUL DOORENBOSCh (Catch)
Cultureel en wetenschappelijk erfgoed is ván de burger en vóór de burger. Er is nog een lange weg te gaan voor dit erfgoed ook online beschikbaar is: de Digitale Collectie Nederland. Toch is er al een flinke hoeveelheid digitale objecten op internet beschikbaar. Een digitale omgeving vraagt andere middelen om de collecties toegankelijk te maken dan een analoge, maar bij gedigitaliseerde collecties daarentegen zijn er ook veel meer mogelijkheden om de inhoud ervan te verbeteren en te verrijken.

Erfgoedinstellingen zijn al jaren bezig om die nieuwe wegen te verkennen. Met hun erfgoedachtergrond hebben ze prima resultaten bereikt. Maar de informatietechnologie zou veel meer kunnen bieden. NWO startte in 2004 het programma CATCH (Continuous Access to Cultural Heritage) om de samenwerking tussen informatici aan universiteiten en beheerders van het erfgoed te stimuleren. Het CATCH-programma Voor informatici zijn de grote hoeveelheden culturele data bijzonder interessant en uitdagend; erfgoedinstellingen willen graag onderzoeken of de kennis, methoden en technieken van informatici hen kunnen helpen de interactie tussen erfgoed en publiek effectiever en beter te maken. Vanuit de praktijk van de erfgoedinstellingen werden problemen omschreven aan de hand waarvan de informatici hun wetenschappelijke vragen formuleerden. Deze unieke samenwerking moet aan de ene kant tot nieuwe kennis leiden en aan de andere kant praktische hulpmiddelen en nieuwe methoden voor de ontsluiting en verrijking van het erfgoed opleveren. Teams van twee onderzoekers en een wetenschappelijk programmeur werken binnen de muren van erfgoedinstellingen aan de oplossing van deze vraagstukken. De erfgoedinstellingen brengen kennis over hun collecties, ondersteuning, en werkruimte in. Ze profiteren niet alleen binnen het project, maar ook in de zijlijn daarvan, van de kennis van de informatici. Centraal wordt gewerkt aan een goede borging en doorontwikkeling van de resultaten. Want die resultaten mogen niet gebonden zijn aan één instelling of één collectie, maar moeten ter beschikking komen van de gehele erfgoedsector.

In de sessie 'ICT-onderzoek en erfgoed' komt het CATCH-programma aan de orde. Vijf van de tien deelprojecten worden gepresenteerd. Centraal hierbij staan de resultaten van de samenwerking tussen de instellingen en de informatici. Ook wordt aandacht besteed aan het effect van het project voor andere cultureel erfgoedinstellingen: wat heeft de brede erfgoedsector eraan? We hebben ook enkele mensen uit het veld gevraagd om vanuit hun praktijk te reageren op de projecten: Wat denken zij dat hun instelling met de resultaten zou kunnen doen?. De pilots Na afloop van de sessie kunt u één op één met de inleiders verder spreken over het project. Zij kunnen ook de demo laten zien die door elk project in het eerste halfjaar is afgeleverd. In deze pilots (demo's) is een begrensd specifiek probleem uit het project op zo'n manier aangepakt en 'opgelost' dat de instelling kan zien wat de samenwerking ICT - erfgoed kan opleveren, hoe ook al directe resultaten geboekt kunnen worden. De demo's zijn ook te bekijken via de CATCH-website: http://www.nwo.nl/catch



Sessie 6.1: ICT-onderzoek en erfgoed: Peter Gorgels (Rijksmuseum Amsterdam)
CHIP (Cultural Heritage Information Personalization). Rijksmuseum Amsterdam, Technische Universiteit Twente , Telematica Instituut.



Sessie 6.2: ICT-onderzoek en erfgoed:Henk Matthezing (Koninklijke Bibliotheek)

Sessie 6.3: ICT-onderzoek en erfgoed: Vincent de Keijzer (GEMEENTEMUSEUM DEN HAAG)
MUSEUM (Multiple-collection Searching Using Metadata). Gemeentemuseum Den Haag, Rijksbureau Kunsthistorische Informatie Den Haag, Gemeentearchief Rotterdam, Universiteit van Amsterdam.

Sessie 6.4: ICT-onderzoek en erfgoed: Guus Lange (RACM)
RICH (Reading Images in the Cultural Heritage). RACM Amersfoort, Universiteit Maastricht.

Sessie 6.5: ICT-onderzoek en erfgoed: HENNY VAN SCHIE (NATIONAAL ARCHIEF)
SCRATCH (Script Analysis Tools for the Cultural Heritage). Nationaal Archief Den Haag, Universiteit Groningen.

-----------------------------------------------------------


Laatst gewijzigd: 05-11-2012

9 plus 5 is:*
(anti-spam)

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.