Cookies op DEN.nl
den.nl maakt gebruik van cookies voor het anoniem meten van het website bezoek en het vergroten van het gebruiksgemak. Door op 'ga verder' te klikken, geef je toestemming voor het gebruik van deze cookies.

Discussiebijeenkomst Infrastructuur Digitale Collectie Nederland (2008)

10 maart 2008 - Digitaal Erfgoed Nederland




De discussiebijeenkomst Infrastructuur Digitale Collectie Nederland vond plaats op 7 maart 2008, in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

In 2007 heeft Berenschot, in opdracht van Digitaal Erfgoed Nederland, het Advies Infrastructuur Digitale Collectie Nederland opgesteld. Dit advies gaat in op de relatie tussen de informatiearchitectuur van individuele erfgoedinstellingen en de nationale infrastructuur voor een Digitale Collectie Nederland. De kern van het advies bestaat uit een koppeling van de waardeketen voor digitalisering aan drie mogelijke beleidsopties om de nationale infrastructuur te versterken.

De keten ziet er als volgt uit: 

 
 

De drie beleidsopties zijn:
  1. zelfregulering (huidige situatie);
  2. gezamenlijke ontwikkeling waarbij de instellingen in goed onderling overleg coördineren en
  3. centrale regie door een partij die boven de anderen staat.
Voor ieder van de schakels in de keten kan een andere keuze uit de beleidsopties worden gemaakt.

Op 7 maart 2008 vond op initiatief van het ministerie van OCW (Directie Cultureel Erfgoed) een discussiebijeenkomst plaats om de waarde van dit advies nader te bepalen. De personen met wie Berenschot gesproken had ter voorbereiding op het advies waren allen uitgenodigd, aangevuld met andere experts uit het erfgoedveld en verwante sectoren. In totaal hebben 30 personen aan de discussie deelgenomen, onder leiding van Els van Eijck van Heslinga (KB).
 
Het programma van deze bijeenkomst bestond uit drie onderdelen: 
  • Enkele korte presentaties om het advies nader toe te lichten;
  • Een discussiegedeelte in subgroepjes over de onderdelen van het model;
  • Een plenaire discussie over de waarde van het advies als geheel.
Dit verslag biedt een beknopte weergave van de korte presentaties en een uitgebreid verslag van de plenaire discussie.
 

Presentaties

Museum Volkenkunde
De eerste presentatie van Jos Taekema ging in op het informatieplan van het Museum Volkenkunde, Leiden, dat onlangs was afgerond. Taekema bood een kort historisch overzicht van inspanningen van Nederlandse volkenkundige musea om het samenwerkingsverband Stichting Volkenkundige Collectie Nederland tot stand te brengen. In het kader van de SVCN is een gemeenschappelijke infrastructuur gebouwd voor informatievoorziening namens de volkenkundige musea. Hierbij is de aandacht met name uitgegaan naar integratie van (meta)data en ontsluiting met behulp van een gemeenschappelijke thesaurus. De wensen van de gebruikers verdwenen hierbij wel eens naar de achtergrond. Het advies van Berenschot heeft de volkenkundige musea geholpen de ketenintegratie opnieuw door te lichten en het hele proces van digitalisering en dienstverlening in de eigen organisatie nader onder de loep te nemen. Het model zoals voorgesteld in het advies van Berenschot is met enkele kleine wijzigingen zinvol gebleken bij het herontwerpen van de informatievoorziening, niet alleen ter bevordering van efficiëntie, maar ook om interactie met de gebruikers te ondersteunen.

Provincie Limburg
De tweede presentatie werd gegeven door Ingrid Mallée, Beleidsmedewerker Cultuur van de Provincie Limburg en Gilbert Smith van Logica. De provincie Limburg ontvangt veel verzoeken tot financiering van innovatieve projecten uit de cultuur- en erfgoedsector, bijvoorbeeld voor bibliotheekvernieuwing of digitalisering door musea en heemkundekringen. De provincie zoekt naar een houvast om de aanvragen aan elkaar te kunnen spiegelen. Net als andere provincies stuurt Limburg aan op een gemeenschappelijke zoekfunctie op basis van standaardisatie. Criteria voor vergelijking en beoordeling van aanvragen komen uit dit streven voort: wie zijn de doelgroepen, wat zijn de producten van het project, hoe 'koppelbaar' is de geboden informatie? Ook zou de provincie graag zien dat de synergie tussen organisaties toeneemt, en dat er betere afspraken onderling worden gemaakt. Om dit proces te ondersteunen, heeft de provincie Logica ingehuurd. Gilbert Smith werkt in opdracht van de provincie aan een algemeen informatieplan, waarbij het accent wordt verlegd van een focus op de inhoud naar procesbegeleiding en stimulering van samenwerking. Het advies van Berenschot in combinatie met de projectmanagementmethode Prince2 heeft een goede houvast geboden om tot een nieuwe aanpak te komen. Er komt een centrale toetsing van de subsidiekaders, waarbij ook het gebruik van ICT-standaarden een rol speelt, bijvoorbeeld op het gebied van metadata, middleware, en ook kennis delen. De provincie streeft ernaar geen standaarden af te dwingen. Het veld dient zelf tot onderlinge afstemming en afspraken te komen, conform de aanpak van DEN op nationaal niveau.

e-Cultuur
De derde presentatie van Dick Rijken (Universiteit van Amsterdam) had een geheel andere invalshoek, namelijk die van de vernetwerkte samenleving. Rijken benadrukt dat het een heilloze onderneming is te streven naar één nationale verzameling. Er zijn duizenden verzamelingen, ontstaan in netwerken van instituties en personen. Zijn voornaamste kritiek op het advies van Berenschot is dat het gebruik maakt van een lineaire waardeketen. Er is al een infrastructuur waarin door burgers is geïnvesteerd, en die is niet lineair. Het heeft niet veel zin uit te gaan van een procesmodel, want er is niet één proces. Als je bouwt aan een infrastructuur, moet je zorgen dat het open is, toegankelijk, gelaagd, modulair, flexibel. Juist in de publieke sector moeten er meer 'fluïde' experimenten kunnen plaatsvinden. Zeker in samenwerking op nationale schaal zijn vloeiende processen relevanter dan statische processen. Als alternatief model legt Rijken het Negenvlaksmodel voor, ontwikkeld door Rik Maes.
 Rijken benadrukt dat burgers veel investeren in een ICT-infrastructuur. De berekening is dat 6 miljoen huishoudens gemiddeld 5.000 euro aan apparatuur hebben. Tesamen is dat 30 miljard euro. Ook is bekend dat veel mensen thuis betere apparatuur hebben dan op het werk. Deze investering wordt momenteel zwaar onderbenut. Erfgoedinstellingen voeren te weinig (interne) discussies om op dergelijke veranderingen in de samenleving in te spelen. Het is opvallend dat instellingen die zelf geen collecties beheren veel actiever en meer geneigd tot vernieuwing zijn. De overheid zou veel meer moeten sturen op rolverandering.

Subgroepen
Voorafgaand aan de plenaire discussie hebben de deelnemers in subgroepen de schakels in de waardeketen digitalisering besproken. De groepjes waren als volgt ingedeeld: selectie en creatie; metadata en contextinformatie; toepassingen en marketing; innovatie. De schakel 'beheren en conserveren' is niet nader aan de orde gesteld. De groepen zijn gevraagd na te denken over de meeste geschikte beleidscenario’s voor die schakels in de keten, denkend vanuit de praktijk van het erfgoed.


Plenaire discussie

Selectie en Creatie
De groep die selectie en creatie heeft besproken, concludeert dat voor deze twee schakels instellingen zelf verantwoordelijk moeten zijn. Van de overheid mag worden verwacht dat deze een visie heeft voor de lange termijn, randvoorwaarden creëert en subsidieert. In die overheidsvisie past een kerngedachte zoals de Digitale Collectie Nederland. In de discussie die hierop volgt wordt opgemerkt dat instellingen er zelf goed aan doen bij selectie en creatie eveneens uit te gaan van een langetermijnvisie van ongeveer twintig jaar. Principes die in de visie van de overheid/instellingen een plaats moeten krijgen zijn bruikbaarheid, beschikbaarheid voor iedereen en open source software. De overheid moet zich ook actief opstellen om oplossingen te vinden voor de copyright-problematiek. Losse projecten of competitie tussen de instellingen onderling zijn niet wenselijk. Er is instemming over de noodzaak van een kerngedachte of ‘parapluvorm’ voor de instellingen. Daarbij kan men naast de digitale collectie Nederland denken aan een inhoudelijke samenhang zoals de canon of bijvoorbeeld een subsidieregeling voor basisdigitalisering, maar de kaders van de overheid moeten echter niet te streng zijn, omdat die tijdgebonden kunnen zijn. De instellingen moeten voor de langere termijn kunnen vormen en bouwen.

Metadata en Contextinformatie
Het subgroepje is van mening dat een bepaalde set metadata de basis moet vormen, bijvoorbeeld om uitwisseling mogelijk te maken. Hieraan zal de overheid kwalitatieve randvoorwaarden en minimumeisen moeten verbinden. Daarnaast kunnen (verrijkende) metadata worden toegevoegd door gebruikers. De contextinformatie moet (naast dat van de instellingen) bij uitstek een domein zijn van gebruikers. Metadata en contextinformatie vormen echter geen lineair proces zoals in het model van Berenschot is aangegeven.
Uit de plenaire discussie blijkt dat algemene instemming bestaat over het toekennen van contextinformatie door derden. Dat kan positief uitpakken. Wanneer je burgers uitsluit, mis je mooie initiatieven en daarmee een deel van de collectie Nederland. Ook misverstanden kunnen een verrijking zijn. Een bepaalde context moet in principe oneindig vaak gebruikt of bewerkt kunnen worden. De informatiearchitectuur voor metadata dient hiermee rekening te houden.

Wanneer contextinformatie en ook metadata door gebruikers (professioneel of amateur) worden toegevoegd, krijg je wel te maken met auteursrecht. Dit is een gecompliceerde kwestie. Het wordt dan ook benadrukt dat het belangrijk is auteursrechtelijke kwesties in een vroeg stadium op te pakken. Vaak worden gegevens die instellingen ter beschikking stellen gebruikt voor onderzoek door de gebruiker. Het is aan te bevelen bij deelname door gebruikers de voorwaarde te stellen dat de nieuwe contextinformatie ook weer beschikbaar wordt gesteld, maar de overheid kan hierin niet regulerend optreden. De architectuur moet ook ingericht zijn voor 'gevoelige' informatie (bijvoorbeeld verzekeringswaarde), die niet zo maar vrij op internet gedeeld en hergebruikt kan worden. Mogelijke oplossingen zijn het creëren van een beschermde omgeving, nastreven van uniformiteit en zorg dragen voor uniforme unieke identifiers. De vraag is of de overheid zich hierin moet mengen. Welke rol heeft de overheid als er sprake is van een grote hoeveelheid digitale data die van belang worden geacht voor de collectie van een culturele instelling, wie draagt daar dan de verantwoordelijkheid voor?

Toepassingen en Marketing
In deze subgroep concludeerde men dat (digitale) toepassingen niet alleen door de instellingen moeten worden ontwikkeld, maar juist ook vanuit de maatschappij. De instellingen kunnen hiervoor data beschikbaar stellen of infrastructurele 'lego-blokjes'. De overheid zou bezoekersaantallen anders moeten bekijken. Digitaal bezoek wordt nog niet in dezelfde mate gewaardeerd als fysiek bezoek. In de plenaire discussie zet men vraagtekens bij beloning van de overheid inzake toepassingen vanuit de maatschappij. Want hoe ga je dat herleiden? Digitaal bezoek is moeilijk te meten, want wie komt voor wie? Instellingen kunnen de toepassingen niet volledig uit handen geven, de koppeling met bijvoorbeeld het gebouw kan een meerwaarde zijn. Er bestaat behoefte aan een visie van de overheid op de relatie tussen instellingen en hun publiek. Wat telt als bezoek en hoe wordt afgerekend? De verschillende digitale bijdragen/ bezoekersaantallen van instellingen zouden meetbaar en gewaardeerd moeten worden. Eén van de uitgangspunten voor erfgoedinstellingen moet zijn dat het aanbod de vraag van het publiek weerspiegelt. Vraag je als instelling steeds af voor wie je bezig bent. Gebruik daarbij een bredere context dan die van je eigen instelling en kom los van je eigen website. Dat komt ten goede aan de afname van je product.

Innovatie
Innovatie is volgens de subgroep van essentieel belang voor de erfgoedsector. Ruimte voor experiment, lef en creativiteit zijn nodig om verder te komen. In een aantal gevallen zal het experiment niets opleveren, maar dat is inherent aan het nemen van risico. De overheid kan hiervoor ruimte scheppen door te subsidiëren. Of zelfs te “belonen voor ongedekte risico’s”. De groep valt dit standpunt bij. De bijdragen van de overheid waren in het verleden te veel instrumenteel gericht. Experimenten moeten voor zowel grote als kleine instellingen mogelijk zijn. Ook hierbij geldt dat samenwerking belangrijk is. Uit hetzelfde vertrekpunt kunnen per instelling andere uitkomsten volgen. In de huidige situatie komt het teveel op een klein aantal instellingen aan. In een ideaal scenario experimenteren alle instellingen. De overheid kan daarbij een (af)dwingende rol spelen. Immers: de instellingen zelf zijn lang niet altijd ingesteld op vernieuwing en experiment, ze zijn nog erg gericht op het werken aan de basis. Innovatie en projectmatig werken zouden structureel in de organisatie ingebed moeten zijn. 'No guts, no glory'.
Er zal hoe dan ook grote behoefte blijven bestaan om te leren van elkaar. Een belangrijke voorwaarde voor subsidie zou moeten zijn dat resultaten actief worden uitgedragen en gedeeld met andere instellingen. Een mooi voorbeeld is Beelden voor de toekomst. Hierin worden de instellingen nadrukkelijk gevraagd materiaal 'weg te brengen' en aan andere contexten te verbinden. Speciale aandacht moet ook uitgaan naar de relatie tussen instellingen en leveranciers. Afhankelijkheid van de leverancierssoftware kan ook beperkend werken. En experimenteren moet zeker niet het karakter krijgen van een paar ingehuurde whizkids die wat moois bedenken. Het is belangrijk dat innovatie intern gestalte krijgt, waardoor een blijvend effect kan worden bereikt. De instelling (management) moet durven, de overheid kan faciliteren. Ook voor innovatie geldt dat de burger een goede bijdrage kan leveren. Er zijn prima voorbeelden van zulke initiatieven. Datasets van burgers, hoewel misschien niet 100 procent betrouwbaar, kunnen worden gekoppeld aan die van de instelling(en).
 

Conclusie

Het advies van Berenschot is waardevol gebleken voor het benoemen van diverse aspecten van samenwerking in de context van de Digitale Collectie Nederland, op provinciaal niveau of in andere samenwerkingsverbanden. De koppeling van deze aspecten aan drie beleidsopties bood ook goede aanleiding voor verdere discussie en gedachtenvorming over de nationale infrastructuur. Maar met name het lineaire karakter van de waardeketen maakt het model minder geschikt als instrument voor verdere beleidsvorming en het vinden van een nationale koers voor digitalisering van cultureel erfgoed.

Dit verslag is opgesteld door Annelies van Nispen en Marco de Niet van DEN in samenwerking met Bram Duizer van het ministerie van OCW.  
4 plus 3 is:*
(anti-spam)

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.