Cookies op DEN.nl
den.nl maakt gebruik van cookies voor het anoniem meten van het website bezoek en het vergroten van het gebruiksgemak. Door op 'ga verder' te klikken, geef je toestemming voor het gebruik van deze cookies.

Kosten van erfgoed digitalisering in Europa berekenbaar?

1 maart 2011 - Gerhard Jan Nauta





"Wat kost dat nu, om het complete cultureel erfgoed van Europa in digitale vorm beschikbaar te krijgen?"…dit was één van de vragen waarop een antwoord gegeven moest worden in het rapport The New Renaissance van het Comité des Sages (januari 2011). Het "comité van wijzen" wilde de vraag beantwoord hebben - al was het maar bij benadering - om de aanbevelingen in The New Renaissance ermee te kunnen onderbouwen.

Amper harde cijfers

De vraag naar de concrete kosten van heeft in de herfstmaanden van 2010 de medewerkers van de Collections Trust (CT) in de UK slapeloze nachten bezorgd, want om de vraag met enige overtuigingskracht te kunnen beantwoorden heb je harde cijfers nodig, en die bleken moeilijker te vinden dan vooraf werd ingeschat (zie ook de openhartige en verhelderende blogpost van Nick Poole).

Eerder onderzoek naar de omvang en kosten van de digitalisering van erfgoed betrof eigenlijk nooit de Europese Unie als geheel, op goed beschouwd één uitzondering na: het Project NUMERIC. En juist de resultaten van dit project zijn meer dan eens ter discussie gesteld, bijvoorbeeld in een notitie van de SIG-STATS groep (voorjaar 2010), omdat een belangrijke aanname erbij was dat slechts gekeken behoefde te worden naar “de relevante instellingen” per land. Bij een onderzoek naar harde cijfers is het begrip “relevant” inderdaad niet erg gelukkig gekozen, want moeilijk “hard” te maken.

Een (niet het) totaalbedrag

Een paar snelle antwoorden op de vraag “wat kost het digitaliseren van Europees erfgoed” kunnen we hieronder geven. Deze antwoorden ontlenen wij aan het kloeke, bijna 80 pagina’s tellende eindverslag van de Collections Trust, getiteld The Cost of Digitising Europe’s Cultural Heritage (November 2010). Het basisidee achter de kostenberekeningen is op papier eenvoudig:

De kostenberekeningen van de Collections Trust zijn uitgebreid en gedetailleerd, en besteden aandacht aan de verschillende facetten van het digitaliseringstraject: selectie, voorbereiding van het materiaal, beschrijving, conservering, de aanmaak van tussenproducten (foto's bijv.), het eigenlijke digitaliseren, kwaliteitcontrole en opslag.

Bedenk bij de gepresenteerde cijfers dat kleine afwijkingen in bijv. de stuksprijs voor het digitaliseren, bij grote aantallen enorme verschillen laten zien. Bedenk ook dat sommige bedragen - juist vanwege het gebrek aan harde cijfers - betrekking hebben op maar een deel van het erfgoed. Dit geldt bijvoorbeeld voor de berekening van de kosten van het digitaliseren van archieven. De rekensom betreft in het CT rapport alleen de nationale archieven.

Eerst maar meteen het bedrag helemaal onderaan de streep. Volgens het CT rapport kom je op basis van de thans beschikbare gegevens uit op een totaal bedrag van iets meer dan:

€ 100.000.000.000


(100 miljard) …voor het digitaliseren van al het erfgoed in de bibliotheken, musea en archieven van Europa, dus alle: recente boeken, zeldzame (oude) drukken, handschriften, schilderijen, foto’s, archiefstukken, films, etc.

Kosten per erfgoedsector

Het is interessant om te kijken hoe dat immense bedrag van 100 miljard is verdeeld over de traditionele erfgoedsectoren. Wanneer je, om maar wat te noemen, de deelbedragen uit het CT rapport via een cirkeldiagram visualiseert krijg je dit beeld:



Wat opvalt, is dat er met de digitalisering in musea en archieven kennelijk meer geld gemoeid is dan met het digitaal beschikbaar krijgen van de collecties van bibliotheken. Met de absolute aantallen instellingen per sector zijn deze verhoudingen niet te rijmen: er zijn in Europa veel meer bibliotheken dan musea (20 : 1) en het aantal nationale archieven en instellingen met AV collecties valt daarbij al helemaal in het niet.

De kostenverdeling kan deels verklaard worden vanuit de aard van het materiaal - boeken zijn qua informatiewaarde op de vierkante millimeter nu eenmaal minder “dense” dan kunstwerken -, of anders/ook vanuit het voorkomen van multiples: schilderijen e.d. zijn uniek, van boeken zijn er in de regel vele exemplaren in omloop. (Saillant detail: de CT becijfert het aantal unieke titels in Europese bibliotheken op tussen de 59 en 95 miljoen. Het Google Books project kwam recentelijk uit op een totaal van 130 miljoen voor alle titels, ooit verschenen, wereldwijd.)

Uiteenlopende ramingen voor de digitalisering van boeken

Als we inzoomen op de door de CT berekende deelbedragen voor bibliotheken - voor deze sector is alleen het boekenbezit van de nationale bibliotheken in beschouwing genomen - kunnen we twee nogal afwijkende ringdiagrammen produceren. In het ene is het totaalbedrag berekend op basis van de in-house digitalisering van het boekenbezit. Dat is de dure (€ 24 Miljard) route:



Deze route is overigens niet alleen maar prijzig. Het is ook een route waarbij er bij de erfgoedinstellingen meer expertise op het gebied van de digitaliseringsproblematiek kan worden opgebouwd, zoals het CT rapport terecht benadrukt. Dat kun je zien als een vorm van terugverdienen.

In het andere diagram is uitgegaan van een zogeheten public-private partnership (PPP), waarbij een commercieel bedrijf in samenwerking met één of meerdere bibliotheken (denk aan het Google Books Search project) het digitaliseren in praktijk brengt. Dat is de goedkope (€ 17 Miljard) route:



(In bovenstaande diagrammen zijn naast het ringsegment dat de krantendigitalisering aangeeft nog enkele kleine streepjes te onderscheiden. Deze representeren de digitalisering van foto’s en landkaarten in bibliotheken. Het bedrag dat daarmee gemoeid is valt een beetje in het niet bij de overige bedragen.)

De PPP route is niet alleen maar bon marché. Het is óók een route waarbij de openbare toegankelijkheid van het gedigitaliseerde materiaal belemmerd kan worden. Denk aan de overeenkomsten in het kader van het Early European Books project van ProQuest met enkele grote Europese bibliotheken (zoals de KB): alleen in het land waar zulke bibliotheken gevestigd zijn is het materiaal voor de eerstvolgende jaren gratis te gebruiken.

Overigens, zo stelt The Cost of Digitising Europe’s Cultural Heritage, zijn de verschillen tussen in-house en PPP digitalisering van zeldzame drukken (rare books) veel minder uitgesproken. Het rapport negeert de verschillen zelfs volledig.

Kosten per objecttype

Een laatste illustratie van de resultaten van het Collections Trust onderzoek halen we uit de paragrafen over musea. In onderstaande diagrammen wordt eerst een beeld gegeven van de aantallen objecten per objecttype in de Europese musea:



Opvallend zijn de verschuivingen wanneer we vervolgens kijken naar de kosten per objecttype. Duidelijk is dat het digitaliseren van min of meer gelijksoortige/-vormige objecten (foto’s) goedkoper is dan het digitaliseren van minder gestandaardiseerd materiaal (“kunstwerken”, lees: schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, e.d.):



Een sterk punt van het Collections Trust rapport is dat het er bij herhaling en in heldere bewoordingen op wijst dat, om de duurzame toegankelijkheid van het gedigitaliseerde en digitaal ontstane (digital-born)materiaal veilig te stellen over een periode van 5 tot 10 jaar, 50 tot 100% van de oorspronkelijke digitaliseringkosten moeten worden begroot. Daarmee geeft de CT terecht een vollediger beeld van "wat het kost" dan bij een strikte beantwoording van de vraag van het Comité des Sages nodig zou zijn geweest.

Is erfgoeddigitalisering in Europa al berekenbaar?

Bij eigen berekeningen - op de achterkant van een bierviltje, en alleen op basis van heel globale cijfers in het NUMERIC rapport - kwam ik uit op een totaalbedrag voor de digitalisering van Europees erfgoed van € 170 miljard. U mag dat meteen weer vergeten. Ik wil hier alleen maar zeggen dat ik al cijferende steeds meer ontzag begon te krijgen voor de prestatie van CT, maar ook en tegelijkertijd, dat het me gaandeweg duidelijker werd dat er nog bij erg veel berekeningen en aannamen vraagtekens kunnen worden gezet. Zo lopen in het NUMERIC Study Report - toch de belangrijkste bron die we nu hebben - de gewogen gemiddelde kosten van het digitaliseren van één meter archief uiteen van 19 euro (voor Audio-visual or Film Institute archieven) tot 3764 euro (voor Special or Other Library archieven).

Het lijkt erop dat in het NUMERIC onderzoek appels (meters film?) met peren (compact op een strekkende meter plank opgeslagen archiefstukken?) werden vergeleken. In mijn eigen berekeningen kon ik geen sluitende argumenten bedenken om dan wel uit te gaan van (over alle typen instellingen) de mediaan (€ 171,-) dan wel het gemiddelde (€ 1656,-). Ik koos op basis van common sense voor het gemiddelde, maar het zal duidelijk zijn dat het eindbedrag voor archieven daarmee 10x hoger uitvalt dan wanneer ik de andere keuze zou hebben gemaakt! Zulke grote verschillen tonen eens te meer aan dat het eigenlijk nog te vroeg is om de kosten van het digitaliseren betrouwbaar te schatten.

Wordt vervolgd...

De moraal van het verhaal: meer onderzoek is nodig. En het inkoppertje: dat komt er! Want onlangs gaf de Europese Commissie groen licht aan ENUMERATE! Dit consortium, bedoeld om een blijvend vervolg te geven aan het onderzoek dat met NUMERIC gestart is, zal in de komende drie jaar een reeks digitaal erfgoedstatistieken gaan opleveren. Meer over ENUMERATE in een volgende blog.
1 plus 10 is:*
(anti-spam)

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.